Dag Pim (3)
[Heel soms gebeurt het dat ik ook een persoonlijke band krijg met een klant. Dat was het geval met Pim. Deze 82-jarige dame leerde ik 5 jaar geleden kennen tijdens een huiskameravond. Sindsdien ontmoetten wij elkaar regelmatig, waarbij ik contact voor haar mocht leggen met haar overleden man en kinderen. Een prachtige tijd waar helaas toch een eind aan kwam… Ik schreef er - met haar instemming - een serie blogs over.]
Als Pims auto uit het zicht verdwenen is, rij ik naar huis.
In tranen.
Goddank is A. thuis, aan wie ik het hele verhaal wel 3 keer snikkend vertel.
Daarna voel ik een ding heel sterk: hier kan ik het niet bij laten.
Ik wil weten hoe het met haar gaat, wat ze doet, wat ze voelt, hoe de voorbereidingen gaan.
“Ik wil haar mailen”, zeg ik tegen A. “Maar ik weet niet of het mag.”
“Waarom niet?”, vraagt A.
“Ik zie steeds die auto voor me die zo hard wegreed. Volgens mij heeft ze last van mijn emoties”, zeg ik naar waarheid. “Ze vertelde nog dat er een kennis was met wie ze een keer oppervlakkig had gesproken over dat ze er ooit een eind aan zou maken. Toen had die vrouw gezegd: ‘Niet doen hoor, want ik weet me geen raad zonder jou.’ Ze vertelde me dat ze daardoor had besloten om het aan niemand meer te vertellen. Uiteindelijk weten nu nog 3 mensen de datum, maar meer wil ze niet, want dat maakt het te emotioneel.”
“Nou, dan maak je het niet emotioneel”, zegt A. praktisch.
Het kost me 3 dagen voordat ik weet hoe ik het niet-emotioneel moet maken.
8 maart:
‘Lieve Pim, sorry dat ik je nog even schrijf. Ik kan niet anders. Ik zal het zeker niet te emotioneel maken, maar ik heb wel een vraag: zou ik je de laatste weken nog mogen ondersteunen via deze weg? Dat wil ik heel graag, maar alleen als jij het goed vindt.
Nog een gekke vraag: welk parfum gebruik jij? Het is zo’n heerlijk luchtje en het doet me denken aan jou. Als ik Van Nelle shag ruik, dan ruik ik mijn vader en dan moet ik altijd glimlachen. Dat wil ik met jou ook straks, als je niet meer onder ons bent.’
11 maart
Pim: ‘Lieve schat, ik durfde je mail haast niet te lezen. Maar ik ben blij dat ik het toch heb gedaan. Ik vind het heel fijn dat je nog een eindje met me mee wilt lopen. En grappig van dat luchtje, want dat heb ik ook. Daan’s Lucky Strikes, Jaap’s shag, mammie’s parfum…
Ik zal het je laten weten. Morgen ga ik naar de Hoge Veluwe. Liefs, Pim’
12 maart
‘Het was naar en guur weer gisteren. Was het wel een mooi afscheid van jouw Beloved Veluwe? X Janneke’
13 maart
Pim: ‘Het was goed gisteren. Voelde ook niet als afscheid. Op Westerveld voelde ik dat wel. Ik stond bij de steen van mammie en de mannen en ik zag mezelf in die kist door de poort komen en dan zo omhoog naar het crematorium. Het voelde als, niet lachen hoor, maar als oefenen.
Nog 3 weken. Ben bezig met het schrijven van de afscheidsbrieven aan iedereen. P. doet die op de bus na mijn overlijden. Hij draagt ook zorg voor wat andere technische dingen.
Concentreren gaat ondertussen niet zo goed. Ik hoop zo dat dit niet het eind is van het contact tussen ons. En dat ik dit mag doen. Jij denkt van wel, toch? Ik heb zulke nare dromen…’
14 maart
Lieve Pim, jouw verlangen komt voort uit de ziel. Na alles wat er in jouw leven is gebeurd, lijkt het me een logisch verlangen. Dat vinden ze ‘daar’ ook. Dus geen worries: ja, het mag.
Je weet dat er nog contact mogelijk is tussen ons. Je zult daar zien hoe dat gaat. De een komt in dromen, de ander knippert met het licht. Je ziet maar hoe je het doet, maar dit is niet het eind voor ons hoor, dat weet ik zeker. Mail me volgende keer je dromen! x J.’
De volgende dag staat de postbode voor de deur met een pakketje. Er zit een sticker op in de vorm van een rood hartje. Het handschrift is van Pim.
Onder het inpakpapier zit een doosje met bubbeltjesplastic en een flesje.
Jill Sander Nr. 4.
Ik spuit het op mijn polsen en ruik: Pim.
Opgelucht haal ik adem.
Het voelt alsof ik haar nu iets minder definitief ga kwijtraken.
Dag Pim (2)
[Heel soms gebeurt het dat ik ook een persoonlijke band aan ga met een klant. Dat was het geval met Pim. Deze 82-jarige dame leerde ik 5 jaar geleden kennen tijdens een huiskameravond. Sindsdien ontmoetten wij elkaar regelmatig, waarbij ik contact voor haar mocht leggen met haar overleden man en kinderen. Een prachtige tijd waar helaas toch een eind aan kwam… Ik schreef er - met haar instemming - een serie blogs over.]
We kijken even in stilte naar de hei.
De hei waar zoveel tranen liggen van Pim.
Langzaam dringt het tot me door dat dit de laatste keer is dat ik haar zie.
“Gaan we nog wat eten samen?”, vraagt Pim.
“Graag”, zeg ik.
Het is onderdeel van de traditie: eerst contact maken met overleden dierbaren in de auto op een rare plek - de hei, begraafplaats Westerveld, de Hoge Veluwe, Lage Vuursche, Amsterdam, waar zijn we allemaal niet geweest - en daarna wat eten samen.
Pim start de motor. Ik zie dat ze het stuur van de auto raar vasthoudt.
“Geen gevoel meer in mijn handen. Dat is weer wat nieuws.”
Ik zucht.
“Het dubbele is dat ik voor jou heel blij ben”, zeg ik. “Alleen…”
De nagels in de handen maar weer.
“Ik ga jou ook zo missen”, zegt Pim.
Ik bedenk me dat ik haar later uit zal leggen dat dat niet hoeft.
Dan remt ze een beetje.
“Dag huis”, zegt ze, wijzend naar een groot, vrijstaand huis op de hoek.
Het is het huis waar ze woonde voordat ze naar Amsterdam gebracht werden. En van daaruit naar Westerbork.
We praten over hoe het gaat gebeuren, over 4 weken.
“Ik heb 90 pillen. Dat is voldoende voor mijn lichaamsgewicht, weet ik. En ik heb een afspraak met een arts die meewerkt. De pillen ga ik vijzelen en het poeder gaat dan in een bakje vla. Mijn grote zorg is of mijn maag het zal houden, want die is zo zwak. Ik moet van de arts een paar dagen van tevoren beginnen met anti-braakmiddelen.”
Ze heeft het al geregisseerd, tot op de minuut.
We komen in de buurt van ons restaurantje in Blaricum, maar de weg is opgebroken.
“Haal je dat lopend?”, vraag ik.
De afstand is zo’n 50 meter.
“Ik denk het niet”, zegt Pim.
Ze rijdt door, het zand op en zet de auto tussen de graafmachines.
“Ach”, zegt Pim. “Tegen de tijd dat de bekeuring komt…”
Ik moet lachen.
Gek mens.
Gearmd lopen we naar het restaurant. Ik merk hoe hard ze achteruit is gegaan. Ze moet 2 x stoppen en ik zie de pijn op haar gezicht.
Als we binnen zitten, aan ons vertrouwde tafeltje met de kaars op tafel, zeg ik dat ik even naar de wc moet. Wanneer de deur op slot is, huil ik heel hard, zonder geluid te maken. Met dikke, rode ogen kom ik terug.
“Sorry”, zeg ik.
“Geeft niet”, zegt Pim.
We bestellen.
“Wat hebben we het leuk gehad samen he”, zegt Pim. “Ik vond het echt 5 fantastische jaren.”
“Ik ook”, zeg ik.
“Weet je nog de eerste keer dat we elkaar ontmoetten, bij die huiskameravond bij R. Toen kreeg je mijn moeder door. Dat was de eerste keer in 60 jaar dat ik weer iets van haar hoorde!”
Ik glimlach.
“En dat je bij ons kwam en contact kreeg met onze Daan.”
Ik knik.
“En je hebt na al die jaren nog geen idee wat je voor me betekend hebt”, zegt Pim. “Je weet het toch wel he, hoe dankbaar ik je ben?”
Ik knik.
Ze heeft het vaak genoeg gezegd.
“Hoe wordt de uitvaart?”, vraag ik.
“Er komt geen uitvaart”, zegt Pim.
“Wat?!”, zeg ik.
“Nee”, zegt Pim. “Joop had ook geen uitvaart en Jaap had geen uitvaart en ik wil het ook niet.”
“Jeetje”, zeg ik. “Dan moet je me wat e-mailadressen geven. Want ik wil ook nog over je praten met anderen als je straks dood bent.”
“Wie had de vis?”, vraagt de serveerster, geschrokken door het gesprek en mijn rode ogen.
Meteen na de laatste hap wil Pim weg, heel anders dan anders.
Ik denk: ‘Ze heeft haast. Ze zit al in de tunnel, op weg naar het eind.’
Onderweg, in de auto terug naar de hei, wijst ze nog wat plekken van vroeger aan.
“Is dit nou ook jou afscheid van het Gooi?”, vraag ik.
Pim knikt.
“Ik moet het rustig aan doen van de dokter. Ik moet zo sterk mogelijk zijn die dag. Ik mag nog een keer naar Westerveld en naar de Hoge Veluwe en dat is het wel zo’n beetje.”
Haar lievelingsplekken.
“Janneke”, vraagt Pim dan ineens. Haar stem klinkt angstig. “Denk je dat ik dit mag doen? Of zou het kunnen dat ik voor straf in een groot zwart gat terecht kom.”
“Nee”, zeg ik beslist. “Geen zwart gat. In tegendeel. Iedereen wordt opgevangen met zorg en liefde. En als het moeilijk is geweest, krijg je daar alleen maar meer van.”
“O, gelukkig”, zucht Pim.
“En ze staan je straks allemaal op te wachten. Je moeder, Joop, Jaap, Daan en Hanneke.”
“Heerlijk lijkt me dat”, zegt Pim.
We rijden de hei op. Daar staat de boom waar ze onder zat, als kind.
“Zoveel tranen hier”, zegt Pim weer. “En zoveel angst. Dat kwam doordat we niet wisten wat ons te wachten stond. Niet weten is het ergste wat er is…”
Dan staan we bij mijn auto.
We omhelzen elkaar.
Haar gezicht wordt nat van mijn tranen.
“Dag kind”, zegt ze in mijn oor. “Het was mieters.”
Ik kan niks meer zeggen, geef haar een kus en stap uit.
Meteen rijdt ze weg.
Hard en zonder te toeteren of te zwaaien.
“Dag lieverd”, zeg ik alleen, terwijl ik de auto kleiner zie worden. “Dag lieve, lieve Pim.”
Dag Pim (1)
Heel soms gebeurt het dat ik ook een persoonlijke band aan ga met een klant. Dat was het geval met Pim. Deze 82-jarige dame leerde ik 5 jaar geleden kennen tijdens een huiskameravond. Sindsdien ontmoetten wij elkaar regelmatig, waarbij ik contact voor haar mocht leggen met haar overleden man en kinderen. Een prachtige tijd waar helaas toch een eind aan kwam… Ik schreef er - met haar instemming - een serie blogs over.
Het was op dinsdagochtend 5 maart.
U weet wel, die mooie dag waarop de lente begon.
Of… leek te beginnen.
Ik reed met de auto naar de hei bij Huizen. Al bij het naderen daarvan, zag ik Pims auto staan op de parkeerplaats. Ik wist: ze zit herinneringen op te halen aan de tijd dat ze hier vlakbij woonde, halverwege de oorlog. Er was veel spanning in huis, want met een joodse moeder, was er de continue dreiging om opgehaald te worden door de Duitsers. Ik hoor het Pim nog zeggen van eerdere keren dat we elkaar hier ontmoetten:
“Hier liggen heel veel tranen van mij.”
Ik parkeer mijn auto naast die van Pim. Ik heb zin om haar te zien, want we houden allebei van de lente en vandaag is het dus zo ver. We gaan het samen vieren. Ik stap in bij haar en we omhelzen elkaar. De vertrouwde geur van haar parfum.
“Wat fijn je weer te zien!”, zegt Pim.
“En wat een heerlijke dag. Het is weer zo ver!”, jubel ik.
“Ja…”, zegt Pim.
Het is een ja met een voorbehoud.
Die snap ik niet.
We praten een tijdje en ik vraag wat ik voor haar kan doen vandaag.
“Zou jij eens kunnen kijken of je contact kunt leggen met mijn grootmoeder? Het gaat om de moeder van mijn moeder. Ik heb haar nooit gekend, maar ik weet wel het een en ander.”
Ik vraag me af waarom nu dit contact.
Ik besluit dat dat straks wel zal blijken.
[Zalige onwetenheid.
Nog een minuutje of 10.]
Ik meen de grootmoeder snel te voelen, wat me verbaast. Ze laat me het Gooi voelen, haar gehechtheid daaraan. Ook aan de status ervan. Daarin was ze heel anders dan Pim.
“Inderdaad”, zegt Pim. “In dat opzicht lijken we niet op elkaar…”
Ik voel ook de moeite die grootmoeder met haar dochter had – Pims moeder dus. Omdat dat zo’n ander type was. Frivool. Buiten de lijntjes denkend.
“Dat vond mijn grootmoeder inderdaad helemaal niks.”
Ik zie ook haar liefde voor haar man, die jong stierf. En daarna… werd het leven heel grauw.
“Ja…’, zegt Pim.
“Nou”, zeg ik. “En toen besloot ze er maar achteraan te gaan.”
Ik schrik er zelf van, want wat zeg ik daar nou?
Het is even stil.
“Dus dat zie je”, zegt Pim.
Op dat punt zie ik de vrouw liggen, op bed, in een donkerblauwe jurk. Naast haar een leeg pillenbakje.
Het is weer even stil.
“Ja, ik zie het”, zeg ik voorzichtig.
“Wat ik wil weten”, zegt Pim, “is het in 1 keer gelukt?”
“Ik geloof het wel”, zeg ik. “Hoezo?”
Weer stilte.
Maar een blik die boekdelen spreekt.
“Nee toch?”, zeg ik dan.
Pim knikt.
“Heb je iets?”
Pim knikt weer.
“Hetzelfde middel als zij heeft genomen. Bijna hetzelfde.”
Ik sla mijn hand voor mijn mond.
“Wie… wat… waarvandaan?”
“Iemand heeft iets voor me meegenomen. Uit Azië. Met veel moeite verzameld bij verschillende apotheken.”
Ik weet hoe lang ze al bezig is met het vinden van een middel. En ook hoe ze bedrogen is tijdens die zoektocht. 500 dollar heeft ze eens betaald voor iets dat via internet werd geleverd. “Gestampte muisjes uit China”, vertelde ze me toen. Het leek een onmogelijke missie omdat je in Nederland gewoon niks kunt krijgen. Dat is onmogelijke gemaakt door de ‘je-mag-niet-dood-maffia’, zoals we het samen wel eens grappend hebben genoemd.
“Wanneer?”, vraag ik.
Ik durf dat wel te vragen omdat ik weet dat het haar vooral gaat om het in bezit hebben van het middel. Om het weten dat het zou kunnen, als ze echt niet meer wil.
Pim aarzelt.
“Wanneer?”, vraag ik weer.
“Dat wilde ik je eigenlijk niet zeggen…”, zegt Pim.
“Wanneer?”, vraag ik nu iets dwingender.
Ik moet het weten.
“Over 4 weken precies”, zegt Pim. “In elk geval voor 6 april, want dan zou ik 83 worden en dat wil ik niet meer.”
“Maar… de lente…”, werp ik tegen.
“Daarom juist”, zegt Pim. “Dan blijf ik weer voor de lente en dan weer voor de zomer, terwijl… ik wil echt niet meer. De nachten, de pijn. Altijd maar pijn. En ik nader het punt dat ze moeten gaan wassen en ik wil niet dat ze me gaan wassen. Het komt door het onderduiken. Niet weer die afhankelijkheid. Ik kan dat niet meer.”
Stilte.
“Kijk!”, roep Pim ineens uit. Ze wijst door de vooruit naar hoog in de blauwe lucht.
Daar cirkelt een roofvogel.
“Waar er 1 is, is er ook meestal ook een 2e”, zegt Pim.
We kijken samen.
Hoewel, ik kijk niet echt.
Ik voel een stekende pijn in mijn linker hand.
Het zijn mijn nagels die hard in mijn handpalm drukken.
Om te voorkomen dat ik ga doen wat ik nu eigenlijk het liefste wil.
Heel hard huilen.
Hoe weet jij dat?
‘Een consult begint al lang voordat het begint’, leerde ik ooit op de Academie voor Mediumschap. ‘Aan de telefoon, bij het maken van de afspraak, krijg je de eerste informatie al binnen en begint bij jou de voorbereiding.’ Het is waar. Maar bij mijn consult met Irene stroomde de informatie binnen zonder dat ik het door had.
Mijn klant is te laat.
Al ruim tien minuten.
Net als ik denk dat ze niet komt, gaat de telefoon:
“Met Irene. Ik kom eraan hoor. Volgens mij rij ik al door de goede straat.”
“In wat voor auto rij je?”, vraag ik terwijl ik door het raam kijk.
“Een gele Smart”, zegt ze.
Op dat moment zie ik een gele Smart hard voorbij rijden.
“Ho!”, roep ik. “Je bent me al voorbij!”
“O jee!”, roept de Irene. “Nou ja, ik zie verderop een rotonde en dan keer ik wel om. Tot zo!”
“Tot zo.”
Ik blijf maar even voor het raam staan. En daar komt de gele Smart alweer aan, alleen rijdt ze dit keer met dezelfde snelheid de andere kant op. Ik wacht een tijdje. Dan gaat de telefoon weer.
“Welk nummer zit je eigenlijk?”, vraagt de Irene.
Ik moet een lach onderdrukken.
“Nr. 54”, zeg ik.
“Aha”, zegt Irene. “Ik kom eraan.”
Ik blijf maar voor het raam staan en ja hoor, daar gaat de gele Smart weer, met een noodvaart, richting de rotonde.
“Nou, dit schiet niet op”, zeg ik.
Ik wil net zelf gaan bellen als ik zie dat Smart inderdaad weer is omgekeerd, dit keer langzaam mijn kant opkomt en… parkeert.
“Jammer”, zeg ik. “Veel te vroeg.”
Ik zie Irene uitstappen met haar telefoon aan haar oor. Mijn telefoon gaat.
“Ik ben er bijna hoor”, zegt Irene.
“Nou”, zeg ik. “Ik zie dat je geparkeerd hebt, maar je moet nog zeker 100 meter deze kant op hoor.”
“O jee”, zegt Irene weer. “Zal ik dan maar weer in de auto stappen?”
“Neeeee!”, zeg ik. “Kom maar gewoon lopen. Ik zal wel beneden gaan staan om je op te vangen.”
Ik loop naar beneden en wacht in de hal terwijl ik uitkijk over de straat.
“Kijk je je klanten naar binnen?”, vraagt de receptioniste.
“Ik hoop het”, zeg ik. “Want deze rijdt me steeds voorbij…”
En terwijl ik het zeg, zie ik de Irene ineens heel hard langs het gebouw rennen dit keer.
“O nee!”, kreun ik. “Daar gaat ze weer!”
Ik ren naar buiten. “Irene! Hier moet je zijn!”, roep ik.
Maar Irene hoort me niet en is ondertussen alweer naar de overkant gerend, terwijl ze, blijkbaar zonder na te denken, huisnummers checkt. Ik zet de achtervolging in, door de kou, zonder jas en voel me belachelijk zo hollend achter mijn klant aan. Ze rent en rent en is ondertussen alweer bijna bij haar auto aangekomen. Dan stopt ze en pakt haar telefoon. Goddank. En terwijl ze mijn nummer intoetst, nader ik haar en pak ik haar schouder vast.
“Hier ben ik”, zeg ik hijgend. “Kom mee, we hebben niet meer zoveel tijd.”
Eindelijk zijn we dan binnen en boven en zitten we tegenover elkaar.
De helft van de consulttijd zit er al op.
Ik vraag Irene of ze wil dat het gesprek over haar gaat of over een overledene. Irene zegt dat ze een vraag heeft met betrekking tot haar eigen leven.
“Laat me raden”, zeg ik. “Je bent op zoek naar je levensdoel en je kunt het maar niet vinden en je hebt het gevoel dat je er steeds aan voorbij rent”, grap ik.
Ik vind het best een geestige opmerking, al zeg ik het zelf.
Maar Irene kijkt me verbaasd aan.
“Hoe weet jij dat?”
To Pray Rain
Voor sommige mensen is bidden alleen een uiting van religie. Maar hebben we niet allemaal wel eens de behoefte om de handen te vouwen? En wat doen je dan? Welke woorden spreek je uit? Hoe werkt dat precies, een gebed?
Bidden. Ik weet nog goed de eerste keer dat ik dat zag. Ik was een jaar of 8 en ik at bij de buren. En net toen ik het voedsel op mijn bord wilde gaan aanvallen, vouwde het hele gezin de handen en sloot de ogen.
Wat was dit nou?
Ik vond het een groot mysterie.
Thuis vertelde ik wat ik had meegemaakt.
“Dat is bidden”, zei mijn moeder. “Weet je ook nog wat ze zeiden?”
Ja, dat wist ik wel, dacht ik.
“Here zage deze spijkers, hamer”, zei ik.
Ik begreep die woorden ergens wel; het had natuurlijk weer iets met Jezus te maken en diens vader was timmerman, dus vandaar.
Het hele eerste deel van mijn leven was ik atheïst.
Al geloofde ik denk ik ergens ook weer wel.
Ik wist niet in wat, dat moest nog komen.
Maar soms deed ik het gewoon, ineens: de handen vouwen.
Geloof kan diep zitten.
Ik herinner me een moment in 2003. Mijn oudste zoon was er al, maar ik had net mijn 3e miskraam gehad, dus of er een broertje of zusje zou komen, dat was zeer de vraag. Terwijl ik er zo op hoopte.
Op een ochtend liep ik naar de hei. Die was gehuld in een zware mist. Ik ging zitten op een bankje onder een boom. Druppels vielen van de takken op me neer. Ik vouwde mijn handen en ik vroeg:
“Mag er alstublieft nog 1 kindje komen? Alstublieft?’
Het bleef heel stil.
“Alstublieft?”, vroeg ik nog een keer. Ik wist niet wat ik er nog aan toe moest voegen. Uiteindelijk stond ik op en liep weg. Ik voelde me vreselijk. Niet alleen vanwege het verdriet en de angst, maar ook om dat gebed. Bij iedere stap realiseerde ik me meer: dit was niet goed. Hier klonk geen hoop uit, alleen maar wanhoop. En er zat ook geen dankbaarheid in. Zo was het niks.
Ik keerde om, liep terug naar het bankje, ging weer zitten, vouwde mijn handen.
“Welkom”, zei ik toen. “Je bent heel erg welkom. En dank u wel voor onze oudste zoon.”
Dit voelde al een stuk beter en zo kon ik naar huis.
Vandaag keek ik op youtube naar Gregg Braden, wetenschapper en, laten we zeggen, moderne gelovige. Een bruggenbouwer ook, tussen het geloof (vooral de hele oude geloven, waar volgens hem veel wijsheid in zit) en de wetenschap. Hij vertelde hoe hij eens werd uitgenodigd door een indiaan om samen ‘regen te bidden’. (‘To pray rain’, zoals hij het zei. Niet ‘to pray for rain’.) Regen bidden bleek niet vragen om regen. Het bleek je voor te stellen dat de regen er al is. Om de regen al te voelen, natte kleren op je lijf, modder onder je voeten. “To create a new reality”, in de woorden van Braden. “And to thank for all the rain that has already been.”
Hoe het technisch werkt, kan Gregg het beste zelf uitleggen.
Maar ik herkende ineens mijn getwijfel, daar bij dat bankje.
Het gevoel: erom vragen is niet goed, want dan bevestig je alleen dat het er nog niet is.
Probeer een nieuwe realiteit te creëren.
En vergeet vooral ook niet om te bedanken voor alles wat er al is.
http://www.youtube.com/watch?v=Rp-P031C4Vg
(De hele lezing is waardevol. Het gebed-stukje begint vanaf 3 uur 10 minuten.)
Wij Betazoids
Ik zie, van boven in mijn praktijk, hoe ze aan komt lopen.
M.
En ik denk: ‘Daar loopt een Betazoid. En niemand die het ziet.’
M. en ik zijn collega’s, hoewel we op verschillende vlakken werken.
Zij meer op het medische, ik op het emotionele, maar uiteindelijk komt het allemaal op hetzelfde neer. We helpen mensen, gebruik makend van onze onzichtbare instrumenten. En eens in de maand, checken we de werking daarvan.
“Hoe is het?”, vraagt M.
“Best goed”, zeg ik. “Al worstel ik met een gemeentelijk probleem waarvan ik me afvraag hoe dat nou echt zit.”
M. pakt haar tas en haalt haar pendel eruit. Ze sluit haar ogen. De pendel hangt naar beneden en begint dan te zwaaien. Soms van voor naar achter, soms van links naar rechts.
“Volgens mij zit het zo…”, zegt M. na een tijdje. En ze vertelt.
“Aha…”, zeg ik.
Het gemeente-probleem staat ineens in een heel ander licht.
Vervolgens geef ik haar een gesloten enveloppe met een foto van een klant waar ik graag een second opinion over wil. En zij geeft mij een stuk papier met het handschrift van een klant van haar voor wie hetzelfde geldt. En we ‘kijken’ zoals wij kijken. En we puzzelen samen op wat deze mensen nodig hebben en hoe we ze het beste kunnen helpen.
De tijd vliegt en ineens moeten we afronden. We nemen afscheid.
Als ik haar buiten weer zie lopen, denk ik aan wat ze me eerder zei. Dat ze als kind gewoon vertelde over wat ze ‘zag’ en wat ze ‘wist’ en dat haar familie daar zo van schrok dat er allerlei spanningen ontstonden. Daaruit leerde ze: mondje dicht. Alleen vertellen wat ze jou verteld hebben en niet wat je ziet. Het duurde jaren en een ernstige ziekte voordat ze ontdekte dat het tijd was om toch weer wat met haar helderziendheid en heldervoelendheid te gaan doen.
Mijn verhaal ging iets anders, maar ook ik draaide ‘de plaatjeskraan’ dicht omdat ik niet wist wat ik ermee moest. En eigenlijk was ik die hele kraan al helemaal vergeten. Maar ook ik werd ziek en moest gaan zoeken in mezelf wie ik eigenlijk was. Ik weet nog toen ik voor het eerst in de serie Star Trek de ‘betazoid’ Deanna Troi zag. Betazoïds waren empatisch en telepathisch. Deanna’s functie aan boord van het ruimteschip was invoelen, bijvoorbeeld wanneer ze weer eens op een andere buitensaardse soort stuitten en niet wisten wat hun intenties waren. En iets in me zei: he, dat ben ik!
Zo lopen er velen rond zoals wij.
Ze zien, voelen, weten, maar ze zeggen niks.
Ze doen zich voor als normaal, wat ze natuurlijk eigenlijk ook zijn.
Alleen de wereld is er nog niet klaar voor.
De serie van Star Trek met Deanna Troi speelde in 2366.
We hebben nog 353 jaar te gaan.
Geen idee voor wat
Ik had nooit veel met het idee van ‘vorige levens’. Totdat ik een aantal maanden geleden ineens aan begon te denken. Zou ik daar misschien antwoorden vinden op vragen die ik in het hier en nu maar niet ontdek? Ik besloot een afspraak te maken met een regressie- en reïncarnatie-therapeute.
“Wil je zitten op een stoel, of liggen op de bank?”, vraagt Marjanne.
“Op de bank”, zeg ik.
Liggen op de bank maakt het nog echter, vind ik.
Het is ook nog een hele mooie bank trouwens. Zwart leer, heel breed met kussens eromheen en een tafeltje ernaast.
“Ik heb ook nog een deken voor je”, zegt Marjanne.
Ik nestel me onder de deken, sluit mijn ogen, ontspan me en voel me helemaal rustig.
“Klaar?”, zegt Marjanne.
“Klaar”, zeg ik.
Geen idee voor wat natuurlijk.
Ik heb net een voorgesprekje gehad met deze regressie- en reïncarnatie-therapeute. Ze vroeg me naar ‘het thema’ dat ik wilde onderzoeken. Dat was lastig, want eigenlijk voelde ik vooral een nieuwsgierigheid om eens terug te gaan naar tijden die ik me niet meer herinner, maar die toch vast hun sporen hebben achtergelaten op mijn ziel. Maar goed, thema’s genoeg natuurlijk. Dus ik koos voor de angst, want die kan me toch soms nog aanvliegen op momenten waarop er eigenlijk niets aan de hand is.
“Ik heb in het verleden ook paniekaanvallen gehad”, zei ik tijdens het voorgesprekje.
“Ah!”, zei Marjanne. “Dat is een mooi uitgangspunt.”
Dus nu, liggend op de bank, vraagt ze me terug te gaan naar die aanvallen.
“Kun je ze voelen?”, vraagt ze.
En ik moet even zoeken in mezelf, want het is alweer 9 jaar geleden, maar dan voel ik ze inderdaad weer. Die hevige golven van pure paniek die door je lichaam rollen en die je keel dichtdrukken, zo erg dat je niet eens meer gillen kunt.
“Ik tel zo af van 3 naar 1 en dan vertel je waar je angstig voor bent”, zegt Marjanne. “3, 2, 1…”
“Verlies”, zeg ik.
“Verlies van wat?”, vraagt M.
“Van alles”, zeg ik.
Ik sta buiten, op straat, voor de deur van mijn huis. Mijn jongste dochter staat voor me en kijkt me angstig aan. ‘Papa?’, vraagt ze. Ik kijk niet terug. Naast me staat mijn zoon, achter me mijn vrouw en onze andere dochter. Ik voel me afschuwelijk. Door het schreeuwen, duwen, dreigen met wapens. Maar het meest door het gevoel van falen. Ik had ze moeten beschermen. We hadden al weg kunnen zijn. Het komt door mij dat we hier staan en dat we alles kwijtraken.
Alles.
Er volgen flitsen van een gebouw met een binnenplaats, van een kantoor met papieren. Een raar moment dat heel helder is: ze nemen mijn koffer mee. Ik zie hem verdwijnen en weet dat ik hem nooit meer terug zal zien.
“Waar blijven je vrouw en kinderen?”, vraagt Marjanne.
Dit stuk kan ik niet vertellen, al zie ik het wel. Het huilen neemt het over, ongecontroleerd. En af en toe de gedachte: ‘Waar komt dit vandaan? Wat doe ik? Is dit echt, of verzin ik het allemaal?’
Tegelijkertijd vallen er kwartjes. Dat beeld van die koffer herken ik namelijk zo duidelijk van de nachtmerrie die ik in vele varianten heb gehad. Ik stap in een trein die gaat rijden en m’n koffer staat nog op het perron (paniek!) of ik loop in een vreemde stad en ze pakken mijn koffer af waar ALLES in zit, waardoor ik weet dat ik nooit meer thuis kan komen…
Ineens begrijp ik het: de koffer staat voor iets groters. Voor hen. Voor mijn Echte Alles. Alleen dat durf ik niet meer voor me te zien. Zelfs nu niet.
Marjanne vraagt of ik ze ooit nog terug heb gezien in dat leven.
Nee, nooit meer. Wel de namen van de meisjes en van mijn vrouw, ze stonden op een lijst. Van de jongen zag ik zelfs dat nooit meer.
Er valt weer een kwartje. Het gebeurt vaak als ik ‘s avonds weg moet, om te werken, dat het me eigenlijk niet lukt om weg te gaan. Dat ik mezelf niet over die drempel krijg omdat ik bang ben dat ik niet meer terug zal komen. Nu bedenk ik me dat dat is waar ik pats-boem deze vreselijke film inviel. Net over die drempel. Wetend dat het voorbij is.
—
Het is tijd om dood te gaan.
In dat andere leven dus.
Marjanne, die me vragen stelt, vraagt me ook hier weer hoe dat gaat.
Ik lig in een ziekenhuisbed. Het is erg armoedig allemaal en ik vind het een duidelijke weerspiegeling van mijn hele leven: klein en ellendig. Naast me zit een vrouw. Mijn lieve, tweede vrouw. Ik wil haar mijn excuses aanbieden, want ik heb er nooit volledig voor haar kunnen zijn en heb haar ook nooit volledig toegelaten, terwijl zij zo haar best deed en het ook zo verdiende. Maar een deel van mij zat op slot.
Het duurt allemaal vreselijk lang, dat doodgaan, en ik heb echt genoeg van.
Maar dan ‘ga ik’ toch.
Zo voelt het, als gaan.
“Blijf er eens even boven hangen”, zegt Marjanne. “Zijn er dingen waar je spijt van hebt?”
Ja, heel duidelijk, 2 dingen.
Het ene is de gedachte van voor het huis, dat ik het heb laten gebeuren, toen, met mijn gezin. Dat gevoel heb ik de rest van mijn leven als een kei met me rondgesjouwd.
Het andere heeft te maken met een vriend van mij. Wat hij en ik deelden was dat hij ook alles was kwijtgeraakt. Maar een groot verschil was dat hij de tijd niet had stilgezet. Hij was gewoon weer opnieuw begonnen en had nog genoten van het leven. Ik zag hoe hij dat deed en wilde dat ik het ook kon, maar ik deed het niet.
“Misschien stond je het jezelf niet toe”, zei Marjanne.
En dat is het ja. Ik stond het mezelf niet toe, maar het was verkeerd. Ik had positief moeten blijven, er nog wat van moeten maken.
En weer valt er een kwartje. Want kijk mij eens, in dit leven. Ook dat had een hele moeilijke start, maar boy, wat heb ik er nog van gemaakt! ‘Dwangmatig positief’, heeft A. me wel eens genoemd. En ik dacht: ‘het zal wel. Mij krijg je er niet vanaf. Voor geen goud. Wat er ook gebeurt, ik blijf naar boven kijken.’ Nu begrijp ik die sterke gedachte.
“Wat heb je gedaan met dat andere waar je spijt van hebt?”, vraagt Marjanne. “Met dat gevoel dat je je gezin niet beschermd hebt?”
Oei, dat is een nare. Want nu duiken er ineens allerlei situaties op in mijn huidige leven waarin ik werd aangevallen en… niets deed. Aan de grond genageld stond. Die keer dat die andere moeder op het schoolplein iets naars zei over de pipo. Wat deed ik? Niets! Weken heb ik ermee geworsteld, met dat moment. Een verrader, zo voelde ik mij. Ik begreep het ook niet.
“Wat erg!”, roep ik. “Ik doe het nog steeds. Ik heb er helemaal niks van geleerd!”
“Destijds kon je er niets aan doen”, reageert Marjanne. “Je kon niets doen toen jullie werden opgepakt. En dat gevoel heb je meegenomen. Maar nu kun je het achterlaten in dat oude leven. Doe dat maar. Bedenk maar hoe je het daar laat en voortaan anders kunt reageren.”
Ik vind dit lastig te visualiseren, dus ik bedenk het maar gewoon: ik laat het daar. Het hoort daar, niet hier.
Marjanne vraagt me hoe is het om ‘bij de bron’ te zijn, in die andere wereld, waar we komen na onze aardse dood.
Gek, ook daar beland ik aanvankelijk in een bed.
Alles is hetzelfde, alleen dan niet klein en ellendig, maar groot en ‘splendid’, dat is het woord dat me invalt.
Vreemd is ook het moment dat ik voor het eerst ‘buiten’ het ziekenhuis kom en het eerste wat me opvalt is: het ontbreken van grenzen. Ik ben gewend aan een straat die begrensd wordt door een stoep en een land grenst aan een ander land. Hier is alles… één. Alles is. En kijk, daar is mijn gezin! En ook die zijn gewoon en ik… stap er gewoon weer in. Ik begrijp ineens dat ik al die tijd met een illusie geleefd heb. Ik dacht dat ik alles verloren was, maar het was er nog gewoon. En nu ben ik er ook weer bij. En ik besluit, op dit punt, om dat in mijn volgende leven aan mensen te gaan vertellen. Dat we niet verliezen, maar dat het op een andere manier doorgaat.
Als ik mijn ogen weer heb geopend, vraagt Marjanne of ik nog wat drinken wil.
“Nee”, zeg ik. “Ik wil even niets. Ik alleen zijn en dit laten bezinken.”
Ik ben echt overdonderd door alles.
Ik rij rustig op de snelweg.
Onverwachts is het gevoel als ik thuis kom.
Als ik de deur van het slot draai en over de drempel naar binnen stap.
Tranen stromen over mijn gezicht.
Thuis heeft nog nooit zo veilig gevoeld.
Oke. Snap ik.
Soms denken mensen dat, omdat ik medium ben, ik ‘het’ allemaal altijd zeker weet.
Van de spirituele wereld en van de onze.
Niet dus.
Ik twijfel ook, regelmatig.
Iedere avond ‘zit ik voor trance’, zoals dat heet. Het idee van ‘zitten voor trance’ is dat je jezelf soort van leert uitschakelen en overgeven aan de spirituele wereld, in de hoop dat dat tot een samenwerking kan leiden. Dat zij kunnen spreken via mij (direct voice), of (toppunt) zich kunnen laten zien via mij (materialisatie).
(Dit laatste is een zeer lange termijn-droom, ik weet het kenners, maar waar geen dromen zijn, geen toekomst.)
Mijn doel, mijn diepe wens, is dus om het mediumschap meer concreet te maken. Dat ik ‘ertussenuit’ ga, mijn hoofd niet meer meedoet, dat ik een instrument word voor hen. Maar hoe concreet dat einddoel ook mag zijn, de weg ernaartoe is buitengewoon vaag. Je zit, je zakt weg, je zoekt naar hoeveel of hoe weinig je erbij moet blijven, naar wat werkt en wat niet. Soms voel ik wind in mijn gezicht, soms hoor ik geluiden die van ‘ergens anders’ vandaan komen, of er lijkt ineens iets dwars door mijn voorhoofd te gaan. Dat is dan spectaculair en dan weet ik: ze werken aan me en met me. Maar momenteel ga ik door een fase die voelt als een eenzame wandeling door een diep en donker bos waar ik geen hand voor ogen zie en mijzelf steeds maar weer die vraag stel: waar ben ik in godsnaam mee bezig. Andere mensen kijken nu tv, bellen hun vrienden of gaan squashen en ik zit hier met mijn ogen dicht, te zitten voor trance.
Gisteravond besloot ik het ze voor te leggen. Ik zei: ‘Lieve mensen aan de andere kant, leidt dit nog ergens toe? Doe ik het goed? Kan er weer eens iets gebeuren?’
Ik zag een gele bloem.
‘Wat is er met een gele bloem?’, vroeg ik.
En ik voelde: kijk erin.
Ik kijken.
Maar ik zag niks.
Was dat dan de boodschap? Je kijkt wel, maar je ziet niks? Frustrerend.
Vandaag kwam ik aan op de praktijk.
“Je hebt post”, zei de receptioniste.
Dat heb ik daar niet vaak, dus dat was leuk nieuws. Een mooie enveloppe, met een bedankkaartje van een blije klant. Altijd fijn. Ik zet de kaart op een mooi plekje, loop weg.
Stop.
Loop terug.
Kijk op de kaart.
Een gele bloem.
Kijk in de gele bloem, want er staan woorden in het hart.
‘Wees als een bloem, blijf uitreiken naar het licht en je groeit iedere dag een stukje.’
Oke.
Snap ik.
Dank.
Dank.
Dank.
Met een verdrietig paard met vleugels achterop je fiets
“He, wat is dit?!”, roept jongetje J.
Hij, zijn moeder en zijn oma zijn net binnengekomen in de praktijk.
Beneden was hij nog heel verlegen, maar eenmaal binnen lijkt hij meteen op zijn gemak.
“Dat is een rozenkwarts”, zeg ik. “Een steen. Vind je hem mooi?”
“Heeeeeeeel mooi”, zegt jongetje J.
Hij aait de steen ook echt.
Het consult zal over hem gaan, dus ik observeer hem en noteer in mijn hoofd: ‘wordt aangetrokken door rozenkwarts’.
(Rozenkwarts: kalmerend en geruststellend.)
Als we het consult beginnen, zit jongetje J. te draaien op zijn stoel.
“Blijf eens stilzitten”, zegt zijn moeder.
“Van mij mag je ook gaan rondlopen hoor”, zeg ik. “Kijk maar wat hier allemaal is.”
Dat laat jongetje J. zich geen 2 keer zeggen. Hij springt op en gaat op onderzoek uit. Ondertussen deel ik mijn eerste indrukken met moeder en oma. Jochie dat meer ziet dan de rest, het verwart hem, hij weet niet wat het is en wat hij ermee moet, zoekt naar zijn rol op het schoolplein, raakt gefrustreerd van school en andere aardse en fysieke zaken. Het blijkt allemaal te kloppen.
Jongetje J. heeft ondertussen de gekleurde brillen gevonden.
“Nee, deze is te donker”, zegt hij over de donkerblauwe bril.
“Wauw!”, roept hij bij de paarse. “Dit is mooi.”
(Paars, de kleur van het zoeken naar het spirituele.)
Moeder en oma kijken hun ogen uit.
“Anders beweegt hij zich nooit zo vrij in een vreemde omgeving”, zeggen ze.
“Deze sfeer is blijkbaar veilig voor hem”, stel ik vast.
“Hihi!”, roept jongetje J.
Hij heeft mijn engelenkaarten gevonden.
“Laat maar de kaarten zien die jij mooi vindt”, zeg ik.
“Deze!”, zegt hij al gauw. “Want dit is een stoere engel, met een speer en een schild. En met dat schild kan hij zichzelf beschermen. Ik wil ook zo’n speer en zo’n schild.”
“Nou”, zeg ik. “Jij verzorgt hier zo’n beetje je eigen consult. Ik kan hier weinig aan toevoegen.”
Ondertussen denk ik wel na: hoe kunnen we hem afschermen?
Ondertussen zoekt jongetje J. verder in de kaarten.
Dan legt hij er 2 naast elkaar op tafel.
Heel kalm.
Bijna officieel.
“Zo”, zegt hij. Hij kijkt ernaar.
“Het is wel gek, wat er bij die jongen achterop zijn fiets zit: een paard met vleugels dat verdrietig kijkt. Zo kan die jongen ook niet hard fietsen, met dat paard zo achterop. Maar dat paard moet toch blijven zitten vind ik, want het is zijn vriendje.”
“Waar fietsen ze heen?”, vraag ik.
“Naar huis”, zegt jongetje J. Hij wijst erbij naar de andere kaart: Een paleis met daarboven de woorden Crown Chakra.
“Het gekke is, hij is 7, maar hij kan nog steeds niet fietsen”, zegt de moeder. “Het lukt hem gewoon niet.”
‘Nee’, denk ik. ‘Dat is ook lastig met een verdrietig paard met vleugels achterop.’
Onwillekeurig zie ik ineens de hand van jongetje J. langzaam omhoog gaan, naar zijn kruin.
Hij wrijft erover.
Dat doet hij nog 2 keer.
Dan besluit hij zijn capuchon op te zetten.
Blijkbaar voelt dat voorlopig toch nog veiliger.
